Nieuw, ach ja, wat is nieuws tegenwoordig. Uiteraard, rampen, incidenten, ongelukken of saillante gebeurtenissen. Daarnaast bevat een journaal gemiddeld op zijn best een schandaaltje over een bekend persoon, het liefst een wereld beroemde – presidenten, staatslieden, artiesten. En natuurlijk de binnenlandse aangelegenheden, of wat daar qua berichtgeving voor moet doorgaan – meestal is het een reprise van al gehoorde opinies.
Aan het woord ziet men dan opponenten van dit of dat, die sleetse gemeenplaatsen ter berde brengen, gemonteerd in het bekende schema van wederzijds obligate verontwaardiging – hoor en wederhoor noemt men dat. Om het de schijn van objectiviteit mee te geven wordt de berichtgeving ingekleed met allerhande gegevens – twintig procent van de winst van het derde termijn, dat komt neer op 4 op de tien belastingbetalers die minder dan 8 procent, terwijl zestig procent maar liefst – dat werk.
Zou het kunnen dat men de kwaliteit van landelijke nieuwsvoorziening kan afmeten aan de hoeveelheid mensen die op basis van niet verstrekte informatie buitenissige complottheorieën uit de grond stampt? Overspoeld door informatie waaruit geen coherent verhaal of begrip te peuren is, bekruipt hen het vermoeden dat er iets achter wordt gehouden en gaan zelf op onderzoek uit.
Dat is echter niet afdoende, informatie vinden is in deze tijden geen kunst – wie wil zou middels internet autodidact kernfysicus kunnen worden. Nee, het ontbeert deze complottheoretici aan het vermogen om tot een zelfstandig oordeel over de kwaliteit van informatie te komen – welke die wordt verstrekt of die zij zelf vinden. In plaats daarvan richt hun kritisch vermogen zich op wat in hun ogen niet wordt gezegd en claimen op basis daarvan, in dialectische waanzin, een waarheid te hebben gevonden.
Het is makkelijk, om die armlastige deeltijd moeders en dertigjarige ict specialisten af te doen als vermakelijke dwazen. Gesimuleerd cynisme door laten gaan als doordachte kritiek is geen sinecure, feit is dat ieder mens een bepaalde behoefte aan informatie heeft om tot een coherent wereldbeeld te komen.
Zowel de zoutloze cynici als complottheoretici geven uiting aan een gemoedstoestand die epidemische proporties begint aan te nemen, een geestesgesteldheid waarbij het kritisch vermogen zich meewarig verzoend met de domheid waardoor ze zich omringd ziet. Nodeloos te zeggen dat het uiteindelijke resultaat totale apathie is, omdat het hen in slaap sust met de gedachte dat men, de rest, niet beter weet.


